174
Jan’s blikken gingen als in een liefkoozing over het blonde hoofd, dat gebogen was over de schrijfmachine. — „Hoe zou ze ’t opnemen als ik er over begon? We kunnen tenslotte toch niet eeuwig met mekaar boomen, zonder hèt chapiter aan te raken. lederen dag neem ik me voor erover te beginnen en iederen keer zakt me de moed weer in de schoenen. Komt dat nou alleen door dat lamme salaris, of ben ik bang ...” — de pijp, die eerst lustig gebrand had, was uitgegaan, maar Jan merkte het niet £n zat kalm te trekken.
„Ze houdt wèl van me,” stelde hij zichzelf gerust. „Als dat niet zoo was, had ze zich lang niet zoo gemakkelijk geschikt in haar veranderd leven. Och neen, daar vergis ik me niet in. Trouwens Lies zegt het ook en die heeft haar oogen verduveld goed open. Als ik nou maar zeker wist . . .”
„Klaar!” riep Pim en haar gezicht was weer een en al vroo-lijkheid.
„Toch maar goed, dat ik ’t meteen gedaan heb. Nou kan ik nog lekker even uitpuffen. Hoe laat is ’t? Is er nog tijd voor een sigaret?”
„Kwart voor éénen! kom maar gauw zitten.” Hij haalde een doosje sigaretten uit z’n zak, bod er haar een aan, gaf haar daarna een vlammetje. „Hoe was ’t gisteren met je vader?” vroeg hij dan.
„Best, gelukkig. De bloeddruk is nog niet heelemaal je dat, maar hij heeft toch minder last van duizelingen. Alleen zegt hij, dat ie steeds een stoomfluit hoort. Dokter zegt, dat ’t wel weg zal gaan als de bloeddruk normaal is. Hij heeft al een paar uurtjes opgezeten.”
„Dat is mooi, zeg. En schikt ie er zich nogal in, dat hij een poos uit zaken zal moeten?”
„Ja, wonder boven wonder wel. En, wat zoo’n zegen is voor moeder, z’n humeur is gewoon fluweelig.”
„Meen je ’t?” vroeg Jan en Pim verwonderde er zich over,