173
„O, ze zou uit je hand eten!”
„Juffrouw Weldam,” stoorde de Chef hun gekout. „Wilt u straks die laatst binnengekomen brieven overtikken. Ik heb ze op uw schrijftafel gelegd.”
„Wat een toon!” morde Pim, toen de Chef was doorgeloo-pen. „En dat snuit! gewoon azijn!”
„Je hebt natuurlijk zitten knoeien,” zei Jan. „Al je gedachten waren immers bij de donkere oogen van de Mendels!”
„Leuk ben je, zeg!”
„Wat ben je toch gauw uit je evenwicht. Neem de dingen eens wat rustiger op. Je gebruikt op die manier al je energie.”
„En wees jij niet zoo zedemeesterig,” zei Pim knorrig. Ze schoof haar stoel terug en ging naar de schrijf-machine, waar ze nijdig een nieuw vel papier inschoof, om dan in koortsachtig tempo te gaan tikken.
„Ben ik werkelijk zoo’n zedemeester als ze zegt?” dacht Jan, z’n pijp stoppend. „Kijk ze daar nou es nijdig zitten, klein opgewonden standje! geen aanmerking kan ze velen. En Bakels is nogal zoo tevreden den laatsten tijd. Als ik ’t haar zeg gelooft ze het toch niet. Bakels kan nou eenmaal geen goed bij haar doen. Heb ik me dat nou verbeeld, dat die Mendel zoo smachtend naar haar keek? Is er misschien, toen ze in België waren iets tusschen Pim en hem geweest? van haar kant een onschuldige flirt, van zijn kant misschien een dieper gevoel? ’t Zou geen wonder zijn, Pim is een kind om van te houden, met al haar onberekenbare grillen en haar egoïsme van verwend kind. Zijn ze thuis ook niet dol op haar? en eigenlijk is ze heelemaal niet het type meisje waar moeder van houdt. Hemeltjelief, ik wou, dat er betere tijden kwamen en ik opslag kreeg. Zooals ’t nu is, durf ik op geen stukken na bij den ouden Weldam aan te komen om — zooals hij dat wel zal eischen — officieel de hand van z’n dochter te vragen.”