172
hoop in haar hart geweest, dat Ruth van gedachte zou zijn veranderd. Maar toen ze haar even langzaam terug zag komen als ze haar had zien weggaan, begreep ze.
Haar eerste opwelling was haar tegemoet te loopen en mee te nemen naar haar kamer, doch toen Ruth vlak bij was, ze het fiere hoofd met den vastgesloten mond zag, wist ze, dat het beter was haar alleen te laten.
„Ik zou ook geen inmenging kunnen velen als ik verdriet had,” dacht ze.
Een week later stond ze ’s morgens vroeg met Chita en Maarten, Pim en Pol op het kleine station in Haastwijk om Ruth en Stefan uitgeleide te doen.
Aan het portierraampje de twee donkere hoofden, vlak naast elkaar. Er werd niet veel gesproken, in ieders hart was ontroering om de twee, die gingen naar het Heilige Land en hun jonge schouders wilden zetten onder het ge-zamelijk ideaal tot nieuwen opbouw.
„Ik kan vanmorgen m’n draai niet vinden,” zuchtte Pim, toen ze onder koffie-tijd met Jan zat te praten. „Ik zie aldoor Ruth’s oogen, zoo somber en groot.”
„Overdrijf ’t geval niet. Ruth gaat naar haar ouders en ze vind er mooi werk te doen,” zei Jan. „Als ze werkelijk zóó dol veel van Tom had gehouden, zou ze hem voor geen enkele overtuiging, al was die ook nog zoo heilig, gelaten hebben. Ik kan me zooiets tenminste niet voorstellen.”
„Omdat je nog nooit in ’t geval bent geweest.”
„Mogelijk hoor! maar dat weet ik wel: als ik van een meisje houd, dan zou ’t me niet kunnen schelen of ze uit de binnenlanden van Afrika kwam!”
„Zou ’n reuze aardig contrast zijn! Jij, echte zoon van de lauwe Westerstranden met een vrouw met ’n ring door d’r neus of zoo!”
„Als ze lief en begrijpend zou zijn ...”