171
dat ze meende wat ze zei en ’t heeft me goed gedaan, meer dan ik je zeggen kan, Tom. Maar allebei de keeren, dat ik je vader en moeder heb gezien, Tom, heb ik gevoeld, dat het voor hun een overwinning zal zijn me in hun familie op te nemen. En dat wil ik niet, daarvoor ben ik teveel de dochter van mijn ouders, die liever zouden sterven, dan geduld te worden in een omgeving die ruim genoeg is om hen te willen accepteeren.”
Vlijmscherp sneed het door Tom’s hart, toen hij den vastberaden trek om dien jongen mond zag, het vuur, dat brandde in die oogen.
„Je zult het te boven komen, Tom, en ik ook. We' zijn allebei jong en het leven kan ons nog genoeg moois brengen. Laten we den korten tijd dien me nog rest niet bederven en leelijk maken wat mooi was. En Tom,” — daar was weer het vibreerende in haar donkere stem, dat zijn hart zoo week maakte — „maak het me niet moeilijk, laat dit ons afscheid zijn.”
„Ik kan niet,” zei hij en weer trachtte hij haar naar zich toe te trekken, „’t Is zoo onvoorbereid, zoo. . . .”
„Zeg dat niet, Tom. Hebben we niet eindelooze gesprekken gehouden over het niet te overbruggen rassenverschil? Heb ik je niet meerdere malen gezegd, dat een groote vriendschap mogelijk is, maar er in het huwlijk conflicten kunnen komen, die niet bij te leggen zijn. Je hebt me trachten te overtuigen, dat zooiets bij ons niet mogelijk zou zijn en ik heb je maar al te graag geloofd. Nu ik voor de groote keuze sta,' weet ik, dat ’t mijn heilige plicht is, jou en mij te bewaren voor iets wat veel erger is dan onze scheiding van nu. Wees een man, Toml Zie het onder de oogen, dat ons sprookje aan de zee geëindigd is. Het was kort, maar mooi.”
Titia, die dien avond in haar kamer voor het raam was blijven zitten, zag haar terug komen. Er was nog een stille