170
haar in de oogen keek, trof hem een zóó smartelijke blik, dat hij verschrikt uitriep:
„Ruth, kind, wat is er?”
Wat er was. Zal ooit een man die werkelijk liefheeft willen begrijpen, dat er iets zou kunnen komen, dat een einde maakt aan al wat hij zich gedroomd heeft?
„Het kan niet Ruth,” hield hij voor de zooveelste maal halsstarrig vol, toen ze hem alles gezegd had, „dan houd je ook niet van me. Dan is het een voorbijgaande opwelling van je geweest en niets meer. Hoe zou er ooit iets tusschen ons kunnen komen? We begrijpen elkaar zoo heelemaal, onze smaken, onze sympathieën zijn dezelfde en juist de dingen waarin we verschillen, brengen ons nog dichter bijeen, omdat we elkaar daarin aanvullen. Ruth, welke duivel is er in je gevaren, en juist op het moment, waarop ik je wilde vertellen, dat ik alles met vader en moeder had besproken, die zóó ruim, zóó begrijpend waren en ons geluk in geen enkel opzicht in den weg willen staan.”
Ruth liet een ironisch lachje hooren en in haar oogen vlamde het.
„Zóó ruim, zóó begrijpend, zijn je ouders 1” klonk het vlijm-scherp. „Wat weten ze van me? alleen, dat ik eigenlijk niet bij jullie hoor, maar ze willen dit wel over het hoofd zien, omdat vader Professor is, al is ie dan ook . .
„Ruth, houd op,” zei Tom kort. „Zoo ken ik je niet, zoo vijandig, zoo feil”
„Neen, zoo ken je me niet en zoo zou je me telkens weer zien als er maar iets was, dat leek op een beleediging aan mijn ras.”
„Kindje, Ruth, wie heeft er iets beleedigends bedoeld. Je begrijpt het heelemaal niet. Misschien heb ik me verkeerd uitgedrukt,” trachtte hij haar te overtuigen.
„Toen Titia me straks zei, dat ik haar lief was geworden, dat ze me graag tot zuster had gehad, toen heb ik gevoeld,