169
Naturen zooals vader en ik hebben dat noodig en we voelen er ons toe aangetrokken. Als er maar niet dat ééne was, dat ééne, waarvoor moeder ons zoo gewaarschuwd heeft vóór we naar Holland gingen. Ik zie nog haar oogen, die sprekende, zielvolle, toen ze zei: „juist nu, kinderen, juist nu moe-
„Maar Ruth weerde hem af!”
ten we ons dichter nog aansluiten, het eigen Volk hooghouden.” Ruth was zoo vervuld van haar droeve gedachten, dat ze niet eens had gezien, dat Tom haar tegemoet was ge-loopen en nu vlak bij haar was. „Ruth!” riep hij haar toe, in zijn stem die blije klank waarmee hij haar altijd begroette. „Wat loop je te droomen, kind?”
Hij pakte haar twee handen, wilde haar naar zich toe trekken. Maar Ruth weerde hem af en toen hij, verbaasd,