167
we onze baniei} hoog en vlekkeloos moeten houden.” Titia, die geboeid gekeken had naar den gloed in Ruth’s oogen, waaruit nu alle melancholie verdwenen was, stond op en haar arm om Ruth’s schouders slaande, zei ze zacht:
„Ik voel het, Ruth. Je kunt niet anders. Misschien is het beter zoo en zouden er inderdaad naderhand conflicten kunnen komen. Je zult een grooten strijd krijgen, kind, maar strijden voor een ideaal is mooi en verheft. Geve God, dat er zegen op mag rusten. En als ik je ooit met iets zal kunnen helpen, beschik dan over me. Je bent me in die maanden lief geworden en ik had je graag tot mijn zuster gehad. Voor je eigen en voor Tom’s bestwil zou ik zeggen: „ga zoo gauw mogelijk en hoe ongaarne ik je ook laat gaan, hoe erg we je ook zullen missen, je bent vrij om te gaan wanneer je wilt.”
„Nu Tom nog,” dacht Ruth, toen ze terug was op haar kamertje. „En dat zal erger zijn, want dan is het moeilijk om sterk te blijven.”
’s Morgens had Stefan haar getelefoneerd en in zijn stem had zooveel vreugde over den brief van „thuis” geklonken, dat het haar pijnlijk aandeed.
„Ben je zóó blij, dat je weg gaat?” had ze gevraagd en gelijk met die vraag was het tot haar doorgedrongen, dat ze in die maanden van elkaar vervreemd waren. Zij had niet gevoeld, hoe groot Stefan’s heimwee naar de ouders was, hoe vreemd hij zich gevoeld had in de nieuwe omgeving, hij had niet geweten, hoe zij zich gehecht had aan de nieuwe vrienden, hoe veel ze was gaan houden van Tom, dien ze toch nog maar kort kende.
„Nu zal Stefan wel met Maarten gesproken hebben,” mij-merdei ze voort. „En Maarten zal goed vinden, dat hij gaat wanneer hij er lust in heeft. En dat zal gauw zijn. Er zal geen enkel beletsel zijn voor ons vertrek naar Palestina. Zelfs niet