166
kom, dan sta ik vaster, dan weet ik, dat ik gaan zal.” Dien middag zat ze op Titia’s kamer en stelde ze haar in kennis met haar besluit.
Titia’s klare oogen bleven een moment op haar rusten. Dan zei ze langzaam:
„Ik begrijp, Ruth, dat je er naar verlangt weer bij je ouders te zijn. Maar is je besluit niet wat overijld genomen? Is er hier niets wat je vasthoudt, niets dat sterker is, dan het verlangen weer bij je ouders te zijn?”
Ruth durfde de oogen haast niet op te slaan. Dan zou Titia immers zien hoe ze streed.
„Ruth,” ging de heldere stem voort, de stem, die het meisje zoo graag hoorde, „heb ik ’t erg mis als ik meen te weten, dat Tom’s liefde voor jou beantwoordt wordt? Toe, Ruth, sluit je niet zoo op. Ik weet wel, hoe moeilijk ’t voor je is je te uiten, maar met Tom’s zuster kun je toch wel spreken. Zet de directrice van ’t Eibersnest aan den kant.” Toen hief Ruth de oogen op en zag Titia er pas goed in de groote melancholie, die de oogen van Zuidelijke Volken kenmerkt.
„Ik probeer het uit te strijden,” zei Ruth met gesmoorde stem. „Het zal niet gemakkelijk gaan, omdat er, buiten Tom, nog veel is waarnaar ik terug zal verlangen. Maar, mezelf kennend, weet ik, dat er, als ik bleef, toch altijd in me zou zijn, het wantrouwen en ik bij een onvoorzichtig, doch argeloos gesproken woord, dat zou doelen op spot met een van mijn geloofsgenooten, tot in m’n ziel gekwetst zou zijn. Ik hoop, dat u me begrijpt, maar als ik met Tom getrouwd zou zijn, dan zou hij me misschien nooit kwetsen, maar het zou voor kunnen komen, dat een van z’n vrienden ... of we zouden samen een tooneelstuk kunnen zien waarin.... och ■ neen, na al wat we ondervonden hebben kan ik het niet. Ik voel ’t aan als ontrouw aan het Volk waartoe ik behoor, aan schending van iets Heiligs. Juist nu, juist nu, dat