165
„Stil maar,” troostte Ruth. „Dokter zal wel gauw komen en dan krijgt hij een spuitje.”
„Als ie het maar zoolang houdt, hij is zoo zwak,” snikte Lize.
„Probeer nu rustig bij hem te gaan zitten,” fluisterde Ruth terug. „Hij zal zoo verdrietig zijn als jij niet bij hem bent. Houd zijn handje maar vast.”
Zoo bleven ze zitten tot dokter kwam.
„Goed,” prees hij, „kussens hoog en lucht!” dan, met een blik op het ventje. „We zullen maar een spuitje geven.”
Ze bleven dien nacht allebei op en in die uren van spanning kwamen ze elkaar nader.
Titia en zuster Blom keken af en toe eens om de deur, maar lieten hen verder de zorg voor het ventje over, voelend, dat zich bij dit kleine bed iets goeds afspeelde.
Toen het eerste lachje weer over Jantje’s gezichtje trok, zijn doorschijnend handje greep naar Lize’s hand, werd het haar bijna te machtig en moest ze zich geweld aandoen het niet uit te snikken.
„Hoor je ’m rustig ademhalen?” fluisterde Ruth, toen het kereltje in een diepen, rustigen slaap lag.
Lize knikte gelukkig, ze kon niet spreken.
„Het gevaar is geweken,” zei Ruth. „Ik ga nog een paar uurtjes naar bed. Jij blijft zeker nog wat bij hem.”
Ze stond op, om zich naar haar kamer te begeven.
„Ruth!” Lize liep haar achterna.
„Zeg maar niets,” zei Ruth en haar warme donkere oogen keken haar vriendelijk aan.
„Ik ben blij,” dacht Ruth, toen ze naar haar kamertje ging om nog wat te rusten, „dat er geen haat-gedachten meer zullen zijn als ik hier niet meer ben. En vanmiddag zal ik met Titia spreken en zeggen, dat ik liefst zoo gauw mogelijk weg ga, want als ik het niet gauw doe, ga ik weifelen. Als ik eerst vader en moeder maar geschreven heb, dat ik