164
er ronduit met me over sprak, heeft me ook niet kunnen overtuigen, dat de liefde alles overbrugt. Wat was het weer echt Titia, om toen ze zag, dat er iets was tusschen haar broer en mij, me direct de verzekering te geven, dat ik haar als zuster welkom zou zijn. Wat zal ik toch vaak aan deze nobele figuur denken als ik ver van hier ben.”
Het kleine, donkere hoofd gebogen, de handen gevouwen om den brief, zoo vond Lize van Meeresteijn haar, toen ze zonder aan te kloppen naar binnen stormde.
„Ruth! Ruth!” haar stem klonk zóó angstig, dat het meisje ervan schrok.
„Ach, kom toch even! Jantje is zóó benauwd! Ik ben zoo bang!”
Zuster Blom was dien avond met Titia naar Haastwijk en de beide meisjes hadden, zooals vaak gebeurde, het toezicht op de slapende kinderen.
Ruth vloog op.
„Een asthma-aanval?” vroeg ze.
„Hij ziet heelemaal blauw!” snikte Lize, die, nu ze haar lieveling in gevaar wist, alle zelfbeheersching verloren had.
Ruth rende naar de kamer waar het joggie lag.
„Hemel!” ontsnapte haar, toen ze het kind zag liggen.
„Laat direct dokter telefoneeren!” zei ze dan kort en ze beurde het kind op, bolde dan handig met één hand de kussens hoog op, zette hem er recht tegen aan.
Toen schoof ze de ramen open en plaatste hem er met zijn ledikant je vlak voor.
Het was een griezelige aanblik, het kleine ventje met het paarsblauwe gezichtje, dat naar adem snakte, en Ruth had zielsmeelij met hem.
„Komt dokter?” vroeg ze, toen Lize, met krijtwit gezicht weer binnen kwam.
„O, Ruth, Ruth,” fluisterde ze. „Hij is alles wat ik heb! ik ben zoo bang, ik ben zoo bang!”