163
„Ik heb dit alles lief gekregen,” mijmerde ze, „liever, dan ik had kunnen denken toen ik hierheen kwam. We hebben er niets dan warmte en goedheid ondervonden, Stefan en ik. Het heeft gemaakt, dat ik veel van m’n wantrouwen ben kwijt geraakt. Maar zoolang er nog menschen in mijn omgeving zijn als Lize, zoolang zal er nog rassenhaat zijn in de wereld. En dit weten maakt me altijd' weer treurig. Waarom hoeft het? ik ken dit gevoel niet, voor mij bestaan er alleen maar goede en kwade menschen en als ik van ze houd, dan vraag ik niet welk geloof ze belijden, dan heb ik ze lief als mijn broeders en zusters. Zal het dan nooit komen het „Alle Menschen werden Brüder?” Zal er altijd strijd en oneenigheid zijn?”
Haar oogen dwaalden weer langs de verschillende huizen waar ze zich zoo thuis gevoeld had.
„Toen ik hier kwam, hoopte ik zoo vurig op den brief van moeder, die me zou zeggen, dat we komen konden en we weer bijeen zouden zijn in vrede en geluk. En nu ik den brief heb, waarin moeder en vader de blije tijding brengen, dat we komen kunnen zoo gauw als we kunnen en willen, nu is de vreugde niet' onverdeeld, nu voel ik, dat ik hier iets achterlaat, dat me heel dierbaar is geworden. Het Eibersnest met al die kleine schatten en Titia, Pim en Pol en die lieve moeder van ze, Maarten en Chita en tenslotte ook ... Tom!”
De brief in Ruth’s handen ritselde, nu ze dien heftig omklemde.
„Ik heb me verzet tegen mijn gevoel voor Tom, omdat ik niet over het idee heen kan komen, dat ik het nu, na al wat we ondervonden hebben in ons geboorteland, niet mag doen. Mijn trots verzet er zich tegen. Tom heeft het niet weg kunnen praten in de avonden, dat we aan het strand wandelden en zulke ernstige gesprekken hielden. Het is goed, dat ik gauw weg zal gaan, ik zou dit niet lang hebben uitgehouden en ik zou me teveel aan hem gehecht hebben. En Titia, die