161
weg en daarop is geen weifeling mogelijk. En ze is gelukkiger dan wij allen tezamen,”
„Ik kan er niet bij,” zuchtte Pim. „Jij Pol?”
„Neen.” Haar ernstig gezichtje stond bijna strak. „Ik kan me wel voorstellen, dat je zooiets doet als je . . . met iedere kans om zelf een gezin te vormen afgerekend hebt. Maar dan ook pas na een heel langen strijd.”
„Daar is dokter,” zei Chita. „Jammer, dat vader nu wakker wordt gemaakt. O, kinderen, als alles maar goed is.” „Piekerbol!” Pim spoedde zich naar de deur, liet dokter binnen, die direct naar boven ging. Even later kwam ook Maarten, die dokter had zien gaan en benieuwd was naar den uitslag van het verdere onderzoek.
„Zoo, drie gratiën! Jullie zitten daar als drie vogels op één tak! Zit de kleine vrouw in den piepzak?”
„Nu niet meer zoo erg. Pol zegt . . .”
„Wat ik zeg maakt geen indruk. Heb ik je soms niet gerustgesteld? Maar, dat werd niet geloofd en mevrouw rende als een bezeten kippetje naar de oude kippenren!” „Jaloersch wezen!” plaagde Pim. „Ik geloof, dat alle mannen dat hebben, naijver op het ouderhuis.”
„Kind, hij maakt maar een pretje,” verdedigde Chita haar man.
„Dat zit nog,” zei Maarten, die ’t toch wel eens vervelend vond, dat zijn vrouw zoo erg vaak naar haar ouders ging.
„Wacht maar,” profeteerde Pol. „Als „hèt” er is, dan bestaat ze niet meer voor ons.”
„Zeg, jullie moeten een naam zoeken,” vond Pim, „we kunnen maar niet steeds over „het” spreken. In ieder geval is het „dè baby,” Pol.”
„Maar, hèt kind!” lachte Pol. „Ik ben ook voor een naam, toe, bedenken jullie die gauw.”
„Jullie benoemen zeker niet. Al die eeuwige zelfde namen geven maar last,” zei Pim.
Wisselend Getij
11