160
„Gelukkig weer eens een lichtpuntje in den huize Weldam,” zei Pim.
„Vertel nu eens wat er bij Ties aan ’t handje was?” vroeg Pol.
„O, ja, dat is prachtig,” lachte Chita. „Je weet toch, dat Ties en ik steevast geloofden, dat de anonieme gift door Professor Pfeltz gestuurd was.”
„Ja!” riepen ze allebei gespannen uit. „En?”
„Nou, de brave borst heeft er part noch deel aan en ’t is een geluk, dat Ties er in haar brieven nooit op gezinspeeld heeft.”
„Van wie is het dan?” Pim was één en al belangstelling. „Van de van Haren’s.”
„Jakkie!” zei ze teleurgesteld.
Chita en Pol schoten in een lach.
„De hoofdzaak is toch maar, dat Ties het geld heeft gekregen,” vond practische Pol.
„Nou ja, maar alle romantiek is foetschie,” vond Pim. „Ik had stellig gedacht, dat die Prof nog eens terug zou komen en we een happy ending zouden krijgen.”
„Ik ook,” gaf Chita toe. „Eerlijk gezegd, is ’t voor mij ook een teleurstelling.”
„En wat zegt Ties ervan?” vroeg Pol.
„O, die heeft er vreeselijken schik van en denkt er net zoo over als jij, Pol.”
„Dan geeft ze ook geen lor om hem,” stelde Pim vast. „Doet ze ook niet.”
„Gaat ze nou heusch zoo op in al dat kindergedoe, dat ze de liefde heelemaal uitgeschakeld heeft?”
„Ja,” verzekerde Chita haar. „Ze is een van die zeldzame vrouwen, die zich geheel geeft aan het ideaal, dat ze zich van jongsaf voor oogen gesteld heeft. Ze had even goed non kunnen worden, of naar Indië kunnen gaan om zich het lot van de Melaatschen aan te trekken. Ties gaat één rechten