159
„Ik verwacht een baby,” zei ze dan zacht.
„O!” twee paar meisjesarmen in een vaste omstrengeling om haar heen.
Drie jonge hoofden dicht bij elkaar.
Zoo vond mevrouw Weldam hen, toen ze zacht de kamer binnen kwam.
„Hoe is vader?” ze vroegen het tegelijk.
„Hij slaapt heerlijk rustig en ik ben even weggeglipt om het jullie te zeggen.”
Toen vertelden ze haar wat dokter gezegd had.
„Ik was er zelf al niet bang meer voor,” zei ze rustig. „Ik heb ’t zien aankomen en het verwacht, maar toen ik hem zoo plotseling zag neervallen was ik vreeselijk geschrokken. Nu ben ik blij, dat het zoo ver is, want nu moet hij wel rust nemen.”
„Precies wat Pol zegt! Moeder en jij zijn ’t toch altijd eens,” lachte Pim.
„Is ons kloekje niet flink?” prees Pol haar moeder. „Als je denkt: o, hemel! wat zal moeder zich overstuur maken, dan komt ze als de kalmte zelf naar binnen stevenen.”
„Ze is een wondermensch,” zei Chita.
„Weet moeder ’t al?” vroeg Pol.
„Moeder wel, vader nog niet. Maar we zullen het hem nu gauw vertellen,” zei Chita.
„Otepoe!” plaagde Pol. „Kloekje, Kloekje, wat wordt je oud!”
„Kijk ze eens glanzen! nu kunnen wij wel inpakken!” lachte Pim en dan vreugdevol, „nu worden we tante, Polletje! Naar wie noemen jullie het? Wat hebben jullie liever, een meisje of een jongen?”
„Hoor nou zoo’n vraagal, dat heeft nog allemaal den tijd,” kalmeerde mevrouw Weldam. „Nou, kinderen, ik ga weer naar boven. Als vader wakker is, roep ik je wel, Chiti.”