158
„Surely, darling.” Pol streek even over het donkere golvende haar en ze had, zooals zoo vaak, het gevoel of zij de oudste van hen allen was.
„Waar is Wim? weet die ’t al?” vroeg Chita.
„Wim zou bij de van Eerden’s eten en dan met Tom hierheen komen. Tom blijft het week-end over.”
„Alweer!” verbaasde Pim zich. „’t Zit diep bij Tommetje. Denk je, dat Ruth iets voor hem voelt?”
„Ik weet het niet. Soms denk ik van wel, dan is er iets in haar oogen, wat ik er anders niet in zie, maar een volgenden keer merk ik er weer niets van en is ze op het onverschillige af.”
„Ruth heeft het niet gemakkelijk in het Kinderhuis,” zei Chita. „Ties ziet het wel, hoe ze te lijden heeft onder de hatelijkheden van Lize, maar zoolang Ruth niet klaagt wil ze niet ingrijpen. Ties stelt haar erg op prijs, ze is na zuster Blom de flinkste en handigste van allemaal.”
„Hè, gelukkig!” zuchtte Pol tevreden. „Ik was al bang, dat er iets met Ruth was, toen Maarten zei, dat Ties je had laten roepen omdat ze je iets belangrijks had mede te deelen.”
„O, ja,” lachte Chita, „dat vertel ik jullie straks wel, ik ga nu eerst even naar vader. Je hebt me zoo fijn gerustgesteld, Pol, ik was zoo bang, dat Maarten maar iets gezegd had, om me niet te erg te laten schrikken.”
„Nou, daar had je toch nog niet dood van gegaan,” plonsde Pim, die al die weekheid tegenover Chita niet goed kon hebben, er uit.
„Neen, ik had er niet dood van gegaan, maar ’t is nu beter, dat ik niet onnoodig schrik.”
„Wat is er dan?” vroegen ze als uit één mond.
Wat maakte Chita’s gezicht opeens zoo onbeschrijfelijk zacht en teeder? Wat gaf haar oogen een zóó groote straling?