156
zei Pol. „Die heeft al die weelde en dat gefeest nooit op prijs gesteld. Die is ook de eenige geweest, die zich onmiddellijk heeft aangepast.”
„Maar vader, Pol. Zal die ooit den slag te boven komen?” „Met behulp van z’n Co’tje wel. Ik geloof, dat die inzinking hem heel veel goed zal doen. Nu moet hij wel rust houden. Moeder moet maar veel bij hem zijn, daar zal ik wel voor zorgen. Je zult eens zien, hoeveel goed het hem zal doen.”
„Maar de zaken, Pol!”
„Kan z’n compagnon best alleen af, zooveel is er, jammer genoeg, niet te doen.”
„Wat zie jij de dingen toch altijd kalm en helder in.” „Aard van ’t beestje.”
„Zeg, Pol.”
„Ja?”
„Vind je niet, dat ons heele husje veel vredelievender is tegenwoordig? Er wordt lang niet meer zooveel gekift.” „Mooi woord!”
„Zeggen de meisjes op kantoor altijd en het drukt zoo kernachtig uit wat je meent. Maar, is ’t niet zoo?”
„Ja, ’t is mij ook opgevallen en ’t is verklaarbaar als je er goed over nadenkt. Wat bleef er vroeger te wenschen over voor ons? Immers niets. We konden aan iedere sport mee doen, zooveel jurken hebben als we maar zelf wilden. Uitgaan deden we zooveel, dat alle pret er eigenlijk al van af was. Alle dingen, waar andere meisjes tijden lang reikhalzend naar uitzien, werden ons maar zoo in den schoot gegooid. Had jij nog wenschen? denk maar eens aan onze verjaardagen, hoe we onze hersens suf pijnigden om iets te bedenken wat we graag wilden hebben. Noodgedwongen zeiden we dan maar iets, dat we heelemaal niet wenschten of noodig hadden. Zooiets is niet goed, hoor! dat verslapt en maakt ontevreden.”