155
er heelemaal niet aan gedacht, dat het een gemis voor Pol beteekende.
„Wat ben ik toch een egoïst,” zuchtte ze hardop.
„Och,” zei Pol, die direct begreep waar dit op sloeg. „Ik kan me best voorstellen, dat je, als je zoo’n heelen dag op kantoor hebt gezeten, graag vrij wilt zijn. En Jan en jij kunnen het zoo best met elkaar hebben.”
„Ja, dat is zoo. Ik heb me nog nooit zóó vertrouwd bij iemand gevoeld. De meeste jongens zijn vervelend als je lan-geren tijd met ze omgaat, maar Jan wint bij een langdurige kennismaking. Hij is zoo recht door zee, weet je en hij laat je zoo heerlijk vrij. En . . .”
„Ik merk ’t al, hij is dè man! waar of niet, Pim?”
„Ik geloof ’t wel,” zei Pim en ze sloeg haar blije oogen naar Pol op. „Jan heeft me nog nooit iets gezegd, dat maar even op een declaratie lijkt, toch voel ik, dat hij van me houdt.”
„Als je dat maar zien kan,” lachte Pol. „En Pimmetje,” plaagde ze. „Waar blijven nou al je idealen van een man met eenige auto’s en een jacht en weet ik wat al meer?”
Pim keek naar buiten, naar de wazige verten, toen zei ze langzaam: „Vanmiddag, in de bus, zei ik tegen vader: „geld brengt geen geluk” en ik zei het niet om hem te troosten. Jij weet het wel het beste, hoe ik die eerste twee maanden het geld gemist heb en er onder geleden heb, dat ik niet meer het weeldekind van vroeger was. Maar het werken onder meisjes, die het allemaal veel minder hebben dan wij en het omgaan met Jan, die zulke gezonde en mooie ideeën heeft, hebben me tot de overtuiging gebracht, dat het geluk niet in geld zit. En daarom geloof ik, dat ik het naderhand niets erg zal vinden als ik een man krijg, die maar een heel eenvoudig bestaan heeft.”
„Moeder heeft het van ons allemaal het beste geweten,”