151
schrikt als haar vader merkt, dat ze met een jongen looptI Wat ziet vader er weer vreeselijk moe uit. Dat heen en weer trekken in die warmte is niets voor hem.”
Ze stond van haar plaats op en ging naast hem zitten. „Dag vader!”
Hij was zóó in gedachten verdiept geweest, dat hij haar niet had zien binnen komen.
„Wat ben je laat, Pim. Heb je zóó lang moeten werken?” Pim moest even lachen. Vader beschouwde hen nog als kleine meisjes en wilde liefst geheel op de hoogte zijn van al hun doen en laten.
„Neen,” zei ze dan, „ik was op tijd klaar, maar ik ben nog wat bij de Bork’s blijven hangen.”
„Bork’s? wie zijn dat?”
Pim had willen zeggen: de paardendokter. Maar vader kon nooit pretjes velen en hij zag er zoo afgemat uit. O, wat was vader toch oud geworden in dat laatste half jaar.
„De vee-arts van Haastwijk. Z’n zoon is boekhouder bij ons. Aardig gezin.”
Vroeger zou vader gevraagd hebben: zijn ’t lui waar je mee om kunt gaan, nu zweeg hij. Arme vader, dacht ze. Wat moet het allemaal erg* voor hem zijn en wat lijkt het me moeilijk op zijn leeftijd zich in dien grooten ommekeer te moeten schikken.
Ze schoof nog wat dichter naar hem toe en stak impulsief haar hand door zijn arm.
„Wat is het mooi buiten, hè vader? vooral zoo laat op den middag, als de duinen wazig zijn van die broeische hitte.” Hij keek haar aan en ze zag in zijn afwezigen blik, dat hij haar niet verstaan had.
„Ben je tevreden met je werkkring?” vroeg hij dan.
„Ja, vader, nu wel. Maar in het begin was het moeilijk.” „Gelukkig.” Er kwam iets als een kreunende zucht uit zijn borst.