150
„Opdat hij zich niet krabbe!” verklaarde Jan.
„Ik ben dol op die beestenl wat een geestige koppen hebben ze en hun pooten zijn net van hout. En wat is dat voor een klein, wit liefje?”
r
„Da’s een Las Palmas-woef. Pittig diertje, hè?”
„Waarom is die hier?”
„Ambtsgeheim.”
„Jakkie, hij heeft toch geen . . .?”
„Hoe kom je er bij? Al wat hier rondhuppelt is in ieder opzicht ongevaarlijk.”
„O, kijk eens, dat kon een broer van Ruff zijn! kom eens hier, geef me de vijf, kameraad!”
De mooie poolhond lei z’n poot in Pim’s hand.
„Ben je ziekie’s, liefheid? O, Jan, ik moet weg, wat jammer, mag ik nog eens weer naar ze komen kijken? Ik ben dol op honden. Ze zijn veel liever en trouwer dan menschen.” „Wat draaf je weer door, malle Pim. Die uitspraken van jou . .
„Ik moet draven!” lachte ze, „m’n bus!”
De halte was vlakbij en Pim kwam nog juist bijtijds. „Dag!” wuifde ze naar Jan en dan zeeg ze ademloos neer op de eerste de beste bank.
„Skarrel!” zei een plagerige stem achter haar en zich omdraaiend keek ze in de vroolijke oogen van Marijtje, het meisje van de Oosterwyck’s. „Je mö-nog zegge, da’je geen verkeering hêt! ze zien je temet alle dag mê Jan van paardendokter!”
Pim, die in een opgewekte stemming was, proestte het uit om het „paardendokter.”
„’n Echte jongen, anders. Je ben’ook nie’mal, d’r ben d’r puur wel lilliker, ook? Je zien nie’eens da’je vader achter je zit!”
Pim, verschrikt, keek om.
„Jakkes,” dacht ze, „ik lijk wel een meisje van zestien, dat