149
„Kom zoo vaak als je wilt en als ik van de week tijd heb loop ik eens bij je moeder aan. Jan, denk je er aan, dat we klokslag half zeven eten?”
„Geen overbodige waarschuwing,” lachte hij. „Te laat aan tafel komen is mijn specialiteit.”
„O, een houten hond!” riep ze verrukt uit.
„Goeie hemel, wat een kabaal!” zei Pim, toen ze het vertrek binnen kwamen, waar deels in hokken, deels vrijelijk rondloopend, de patienten van Jan’s vader waren ondergebracht en waar, met uitzondering van een paar zieke dieren, alles kefte en kwispelstaartte.
„O, een houten hond!” riep ze verrukt uit, toen ze een ruigharigen terrier zag met een kartonnen kraag om. „Waarom heeft die lieve schat zoo’n martelwerktuig om?”