148
„Nou en of! Ties is altijd verrukt als de menschen belangstelling voor haar schreeuwers-kolonie hebben.”
„O, dan zie je Ruth,” zei Ans dweepziek.
„Sinds ik verteld heb van de prinses uit het Oostersche sprookje, die zoo mooi cello kan spelen, is dat malle kind aan het dwepen geslagen. Was jij ook zoo’n dweepster toen je een bakvisch was?”
„Ik ben het nog,” bekende Pim. „En ik moet me altijd geweld aandoen te zorgen, dat mijn fantasie me niet te ver voert.”
„Nou ja, fantasie, dat is weer wat anders,” vond Lies. „Als jij die niet had, dan zou je niet kunnen schrijven.” „Houd toch eens op met dat gedaas over m’n schrijverij,” zei Pim een beetje kregel, „’t Is niets en het wordt niets! Ik ben bezig een behoorlijke kantoorplurk te worden en ban alle fantasie uit m’n hoofd.”
„Sorry,” vond Ans, en ze keek haar meewarig aan.
„Wat sorry!” zei haar moeder en haar wakkere oogen bleven een moment op Pim rusten. „Pim hoeft, al is ze dan, zooals ze het zoo grappig uitdrukt, kantoorplurk, haar fantasie heusch niet den kop in te drukken. Het kan best samen gaan. Als je werkelijk aanleg tot schrijven hebt, Pim, dan zal het er heusch wel uitkomen. En alles wat je doet is mooi, als je ’t maar met liefde doet.”
Jan keek tersluiks even naar Pim. Zou ze zijn moeder niet verkeerd beoordeelen en denken dat ze wat kort af was? Moeder had zoo’n gedecideerden toon en de menschen, die haar niet kenden, kregen vaak een geheel verkeerden indruk van haar.
„Ga je nog even mee naar de woeven-kolonie zien?” vroeg hij.
„Gauw dan,” zei Pim en zich naar mevrouw Bork wendend: „mag ik nog eens terug komen? ik vind ’t ongelooflijk gezellig bij u.”