147
nooit iemand ontmoet met een zóó opgewekt humeur.
Waar deed dit huisgezin haar toch aan denken? wacht, ze was er. Aan de Marsmannen. Jammer dat die naar Groningen verhuisd waren. Er heerschte daar dezelfde saam-hoorigheid en allemaal waren ze opgewekt en tevreden en konden ze bergen werk verzetten. Ze had nooit de vriendschap van Chita en Eef Marsman kunnen begrijpen en ’t verwonderde haar ook niets, dat die, toen Eef naar Groningen was vertrokken, heelemaal doodgebloed was. Eigenlijk had ze altijd gedacht, dat Wim ’t te pakken had van Eef, maar dat scheen toch niet zoo, schoon je van Wim niets zeggen kon, want die was zoo gesloten als een bus. Hemel, de bus! ze moest weg! hoe laat was het?” j
„Ben je aan een roman bezig?” vroeg Ans, zich naar haar toebuigend.
„Voel je je weer minder goed? je bent opeens zoo stil,” zei Jan.
„Noch ’t een noch ’t ander,” lachte Pim. „Ik dacht er over, dat jullie gezin zoo lijkt op een familie waar we vroeger zoo dolgraag kwamen en die naar Groningen is verhuisd.”
„Dan heb je nu een rempla§ant voor ze gevonden,” zei mevrouw hartelijk. „Moet je maar vaak bij ons komen.”
„Graag,” stemde Pim gretig toe. „En komt u dan eens gauw bij ons? U is net wat voor moeder en Pol. En zegt u alsjeblieft allemaal Pim, want dat vind ik veel genoegelijker. Maar nu moet ik weg, anders ben ik niet op tijd aan tafel en is „de kloek” ongerust. Moeder is een ongelooflijk angstige kloek, daar moeten we absoluut rekening mee houden.”
„Pim, Lies heeft een vraag aan het puntje van d’r tong hangen, maar ze durft ’t er niet af te laten glippen, ik zie ’t aan haar. Ze zou in haar kwaliteit van leerling-verpleegster zoo dolgraag „het Eibersnest” zien. Wil jij haar eens meenemen?”