144]
„Welneen,” lachte Jan, terwijl hij den sleutel in het slot stak. „Je bent hun niet vreemd, hoor!”
Een concert van honden-geblaf en lange, uitgerekte vreug-de-huilen klonk hen tegemoet toen ze de kleine hall binnenstapten.
„Vader’s patienten. Je moet ze straks even zien,” zei Jan en hij voerde haar regelrecht naar den tuin, waar ze zijn moeder en beide zussen vonden.
„Pim Weldam, m’n moeder,” stelde hij voor en dan: „m’n geliefd zussenstel, Lies, Ans en Leni.”
Mevrouw Bork, een rijzige vrouw, met blond, aan de slapen al grijzend haar en heldere blauwe oogen — precies Jan’s oogen, dacht Pim — verwelkomde haar vriendelijk. Ze schoof een tuinstoel aan, noodde Pim tot zitten en schonk al meteen twee kopjes thee in.
„Wat is het hier zalig koel,” zei Pim, die begon te bekomen van de hitte.
Jan vertelde van haar flauwte van dien middag.
„We schrokken ons een aap, toen Pimmetje als een zieke kanarie van d’r stokje viel.”
„Bevangen door de warmte,” stelde mevrouw vast.
„Wat zeg je van zoo’n handwerkende gemeente?” vroeg Jan. „Ben je ook altijd zoo in de weer met smyrna en kelim en hoe al dat fraais meer heet?”
„Neen, ik niet, maar moeder handwerkt voor de heele familie.”
„U schrijft,” zei Lies, de negentienjarige, oudste van de meisjes Bork en er was bewondering in haar stem.
„Jakkes,” dacht Pim, „daar heb je ’t nou al. Is die Jan ook een klets!”
„Waar schrijft u in?” vroeg Ans, de veertienjarige bak-visch. Pim voelde zich onbehagelijk, nu al die eerlijke, blauwe oogen — ze hebben warempel allemaal dezelfde oogen, dacht ze — op haar gevestigd waren.