143
lang niet zoo flauw meer. Even kijken of me neus niet glimt,” Pim greep werktuigelijk achter zich naar haar taschje, schoot dan in een lach bij de veronderstelling, dat Jan er bij die appelenflauwte aan gedacht zou hebben haar taschje mee te nemen.
„Ik moest nu maar naar binnen sukkelen en aan het werk gaan,” dacht ze en ze probeerde op te staan.
„Heeft u ’t toch maar gewaagd?” vroeg de Chef, toen ie haar naar binnen zag stappen. „Da’s nou niet verstandig. U ziet nog witjes.”
Maar Pim, manhaftig, zette zich voor haar lessenaar en begon te cijferen.
„Ze moeten me nou niet voor zóó pietluttig aanzien,” dacht ze dapper en langzaam aan voelde ze haar hoofd weer normaal worden. „Als je maar doorzet,” dacht ze, tevreden over zichzelf, maar ze was toch wel blij, toen de klok vijf uur sloeg.
Het was een gewoonte geworden, dat Jan haar naar de bus bracht en bij goed weêr lieten ze een bus voorbijgaan, wandelden den weg op, net zoolang tot de volgende bus hen ingehaald had.
„Je gaat vanmiddag maar eerst nog een half uurtje bij ons in den tuin zitten, meteen een goeie gelegenheid om kennis te maken met moeder en de zussen. Als je nu direct in die bus stapt krijg je misschien weer een raren bol,” bedisselde Jan.
„Ja, goed,” zei Pim gedwee. Ze was hem dankbaar voor z’n goede zorgen, want nu ze op straat kwam, en de gloeihitte van dien dag haar tegemoet sloeg, bekroop haar weer de angst om wagenziek te worden. Maar toen ze voor het vriendelijke huis stonden, waar Jan’s ouders woonden, had ze alweer berouw, dat ze toegestemd had om mee te gaan.
„Zullen ze ’t niet gek vinden?” vroeg ze.