141
Toen ze bij kwam, keek ze in de ontstelde oogen van haar chef en Jan Bork.
„Waar ben ik?” vroeg ze verbaasd.
„Op bekend terrein,” lachte de chef, blij, het meisje, dat werkelijk angstig bleek had gezien, weer bij te zien trekken. „U moet nog maar even rustig blijven zitten en dan naar huis gaan. ’t Is toch al bijna vier uur.”
„Ja,” knikte Pim dankbaar en ze had het gevoel of haar oogen in haar hoofd ronddraaiden.
Telkens kwam er een van het personeel naar haar kijken en Pim dacht, dat ze hun toch zeker niet meer zóó onsympathiek moest zijn als in het begin.
„Ze zijn heusch wel goedig en ik geloof nu ook wel, dat de schuld van hun spinnigheid, bij mij lag. Wat voel ik me nog rarig! net of ik niets in m’n hoofd heb. Ik wou, dat ik al thuis was. Zou ik ziek worden? gewoon zalig om een paar weekjes niet naar kantoor te moeten! hè, ’s morgens lekker te kunnen luieren en door moeder en Pol verwend te worden! het elf-uurs kopje koffie, waar ik hier soms naar smacht! misschien ben ik wel te zwak voor het kantoorleven. Jakkes, wat heb ik een raar gevoel in m’n maag, zoo wee! ik geloof nu toch heusch dat ik ziek ben. Als ik straks in de bus maar niet wagenziek word. Als ik me morgen nog zoo lam voel, ga ik vast niet naar kantoor.”
Een van de meisjes kwam naar haar toe met een kopje slappe thee en een beschuit.
„Jan zegt, dat je om twaalf uur niets gegeten hebt en je wel flauw kunt zijn.”
„Dat kan best,” zei Pim, voor de zooveelste maal getroffen door Jan’s zorgzaamheid.
„Toe, blijf nog even bij me?” vroeg ze dan, terwijl ze gretig hapte in de knapperige beschuit.
„Nou effies dan. Voel je je al wat beter?”