139
Vlugge schreden op de trap. Ruth, zonder cello, kwam binnen.
„Ik zal niet kunnen spelen,” zei ze dan en het leek Tom toe of haar lippen trilden. „Al m’n snaren zijn stuk en ik heb geen reserves.”
„Misschien van de zeelucht,” veronderstelde Mia Wartens.
„Ja, misschien wel.” Ruth keek even naar het over haar handwerk gebogen gelaat van Lize.
HOOFDSTUK VIL
Op het kantoor van de cacao-fabriek zat het personeel bijna amechtig te werken.
„Of die hitte dan nooit ophoudt!” zuchtte de één.
„Als ’t zoo doorgaat vinden ze ons als gesmolten botertjes terug,” mopperde een ander.
De directie had alles gedaan om verkoeling aan te brengen, doch tegen de buitengewone en aanhoudende hitte was niet veel te doen. Pim was te down om te mopperen. Ze zag bleek en het werken viel haar zwaar. Het was haar eerste zomer, zonder vacantie. Nu ze nog geen drie maanden op kantoor was, had ze nog geen recht op vacantie. En andere zomers waren ze met de heele familie naar buiten gegaan en had de hitte haar weinig gedeerd.
De ochtenden waren nog niet zoo erg, dan kon ze wel prettig doorwerken, maar o, de middagen, als de zon van twaalf uur af op hun ramen stond en de neergelaten stores het kantoor alle lucht ontnamen. Dan begon de kloppende pijn in haar slapen, het loome gevoel in armen en beenen, waardoor het bijna onmogelijk was rustig door te werken.
lederen dag geloofde ze, dat ze ziek zou worden, maar als ze ’s avonds aan het strand zat, dan trok langzaam de hoofdpijn weg en was ze den volgenden morgen weer frisch ge