„Hoe kunt u zooiets zeggen!” verbaasde Ruth zich. „Uw zuster gaat er geheel in op en u doet nu net of ’t zoo’n beetje Spielerei van haar is.”
„Och, ik geloof, dat je daar als man niet bij kunt. Ik stel mijn zuster heel hoog, hoor! maar after all had ik haar liever gezien als een vlotte jonge vrouw, die in andere dingen belang stelt, dan het opfokken van baby’s.”
„Wat bedoelt u met andere dingen?”'vroeg Ruth.
„Wat kijkt u me ernstig aan,” lachte Tom. „Zooiets van een strengen rechter,” hij dacht, dat Ruth’s oogen in de avond-schemering diep violet en haar kopje, met het gescheiden donkere haar, zoo heel streng leken.
„Eigenlijk heelemaal niet het type waar ik van houd. En toch heeft ze een reuzen indruk opi me gemaakt van het eerste oogenblik dat ik haar zag.”
„Ik geloof dat u ernst in een vrouw een onvergeeflijke zonde vindt,” zei Ruth langzaam.
„Heelemaal niet, maar er mag wel een beetje vroolijkheid, coquetterie, plaagzucht, enfin, alles wat de vrouw zoo bekoorlijk maakt, bij komen. Ik zou u ook graag wat vroolijker zien, al begrijp ik heel best, dat u er niet veel reden toe heeft. Maar, lieve hemel, u is nog zoo jong, het heele leven staat voor u open.”
„Ik kan heel vroolijk zijn. Vraagt u maar eens aan Pim en Pol. Maar het is niet de vroolijkheid zooals u die bedoelt.” „We praten langs mekaar,” vond Tom. „U ziet mij misschien als een toonbeeld van luchthartigheid, die geen andere zorgen kent dan een das, die niet goed gestrikt is en geen andere vreugde kent dan oppervlakkigen jool.”
„Neen, zóó erg zie ik u niet!” lachte Ruth en ze dacht, dat die Tom van Eerden, geen sikkepit op z’n zuster leek, maar er wel erg gezellig uitzag. Zoo slank, gedistingeerd en verzorgd. „Nog heelemaal niet het type om een ernstigen esculaap te worden,” vond ze.