133
frischt te hebben, was Ruth naar de baby-zaal gegaan, waar ze zuster Blom moest aflossen.
Deze had haar even oplettend aangekeken en toen op haar korte manier gevraagd:
„Slechte tijding van huis, Ruth?”
Ruth schudde heftig van neen. Ze durfde nielt spreken, uit angst, dat het haar weer te machtig zou worden.
„Ik zou er wat om willen verwedden, als niet Lize haar weer iets onaangenaams gezegd heeft,” dacht zuster Blom, terwijl ze zich naar haar kamer begaf om te genieten van haar rustuur. En ze nam zich voor uit te visschen wat er weer voorgevallen kon zijn.
Zuster Blom was verpleegster in hart en nieren en Ruth’s handigheid en werklust hadden haar hart gestolen.
„Tenslotte kan er niet altijd rekening worden gehouden met Lize’s treurige levensomstandigheden. Ik vind, dat directrice dit een beetje te ver voert.”
Zuster Blom en Titia van Eerden, hoewel ze het uitmuntend met elkaar konden vinden, stonden mijlen van elkaar af. Zuster was de geboren verpleegster, Titia de geboren moeder. Zuster verzorgde de kinderen uit liefde voor het vak, Titia wijdde zich geheel aan het kind om het kind zelf.
En juist daardoor vulden! beide vrouwen elkaar aan in hun streven het arme- en het gebrekkige kind te helpen. Waar Titia in haar groot medelijden wat te teerhartig voor het kind zou zijn geweest, was zuster daar om met ijzeren' hand in te grijpen wanneer dit noodig bleek te zijn.
Dat het nooit tot botsingen tusschen hen kwam was te wijten aan Titia’s grooten tact en zuster’s respect voor het meisje, dat een leven van luxe en genoegens opgegeven had om zich geheel te geven aan haar werk van barmhartigheid.
Titia van Eerden — dochter van een welgestelden bankier — had niets gevoeld voor een leventje van uitgaan en pret maken of — zooals ze het vaak had gezegd: een van die