131
naar „het leelijke eendje” zooals ze hem in gedachte noemde, uitgegaan. Dien middag had Ruth met de grooteren de aardige zangspelletjes gedaan en Jantje, die er een poosje naar had zitten kijken, was in huilen uitgebarsten omdat hij niet mee kon doen.
Het had Ruth zeer gedaan en ze was bij hem in een duinpan gaan zitten en had hem sprookjes verteld., Onder het vertellen had ze knipsels voor hem gemaakt en haar vaardige vingers hadden de sprookjesfiguren voor hem vastgelegd.
„O, kijk eens, Hans en Grietje en de heks!” had Jantje gejuicht en zijn magere handjes hadden voorzichtig de knipsels geliefkoosd. Zoo vond Lize hen, toen ze van de baby-zaal komend, direct naar Jantje zocht.
„Juffrouw kan zoo mooi vertellen,” had Jantje gezegd. „En kijk eens, juffrouw Lize.” Hij liet haar op zijn naar haar uitgestrekt handje de knipsels zien. In haar jaloezie zag ze niet zijn stralende oogjes, die meestal zoo flauw stonden. Ze zag alleen Ruth, met den arm heengeslagen om' haar kind, haar Jantje.
„Indringster!” beet ze haar toe.
Ruth, verschrikt, liet Jantje los en wilde opstaan. Maar het kind, de handjes naar haar uitgestrekt, smeekte: „Niet weggaan, juffrouw Ruth, nog één verhaaltje vertellen.”
Hij had de knipsels laten vallen en Lize, in haar woede, trapte ze weg in het zand.
Ruth zag het en in haar oogen kwam een zóó felle gloed, dat het Lize even verschrikte.
„Juffrouw Ruth, nog een verhaaltje vertellen,” dreinde Jantje.
„Houd op met dat gejengel!” Lize zichzelf geheel vergetend, riep het hem nijdig toe en het kind, voor de eerste maal onvriendelijk door haar bejegend wendde zich onthutst van haar af en vleide zich tegen Ruth aan.