130
gaan Ruth te grieven en heel goed wetend, dat Titia, wanneer ze zou merken hoe het meisje gehoond en vernederd werd niet zou nalaten haar hierover te onderhouden, wist ze haar hatelijkheden altijd zóó te plaatsen, dat het Titia niet kon opvallen.
In de eerste weken van haar verblijf in het Kinderhuis had Ruth vaak op het punt gestaan zich bij Titia te beklagen, maar telkens weer had ze tot zichzelf gezegd, dat het beter was, om niet te klagen.
Juist dien middag had er een vervelend incident plaats gevonden en Ruth was blij, dat het net haar vrije avond was en ze in gezelschap van anderen zou zijn en niet den avond op haar kamertje, alleen met haar opstandige gedachten behoefde door te brengen.
Onder de kinderen was er één, ’n klein asthmatisch kereltje van vier jaar, dat Lize van Meeresteijn’s volle liefde had. ’t Was een leelijk ventje met een bolbleek gezichtje en kromme beentjes, die bijna te zwak waren om het lichaampje te dragen.
Het ventje was dol op Lize, die hem verzorgde en vertroetelde en vaak haar nachtrust opofferde, als hij een van z’n benauwde asthma-aanvallen had.
Titia, die wel voelde, hoe Lize in het door ’t leven zoo misdeelde ventje, haar eigen tekort aan levensvreugde terugvond, liet haar alle zorgen voor kleine Jantje over en zuster Blom en de andere helpsters deden stilzwijgend hetzelfde.
„Jantje is juffrouw Lize’s kind, hè Janneman?” kon zuster Blom vriendelijk zeggen en het verwarmde Lize’s verkild hart. Ruth had ook wel de bizondere voorliefde van Lize voor het kind gezien, maar ze was nog niet genoeg boven haar wrok tegen Lize uitgegroeid om er steeds rekening mee te houden, dat Jantje „juffrouw Lize’s kind” was.
Zonder het bepaald te willen, was toch ook haar voorkeur