129
het nooit hebt mee gemaakt,” vond Maarten. „En Nelis houdt niet van halve maatregelen. Hij heeft je in het begin wel wat erg hard aangepakt, is ’t niet?”
Stefan’s oogen gingen even naar Ruth. Zij alleen, had geweten wat het hem gekost had door dien eersten tijd heen te komen. Ze had hem getroost, als een moeder haar kind. Ze had zijn handen, die niet gewend waren aan het zware spitten, ’s avonds met zalf ingesmeerd en verbonden. Ze had bij hem gezeten, als hij ineen krimpend van spierpijn in rug en lendenen zich op zijn bed had neergegooid. Dan was hij, overmand door vermoeidheid, ingeslapen en had ze onderwijl zijn dikke wollen sokken stoppend, stil bij hem gezeten.
Al haar vrije avonden had ze hem dien eersten tijd geofferd en hij had niet geweten, hoe ze er naar snakte een avond rustig op haar eigen kamertje door te brengen om het geliefde instrument te kunnen bespelen.
Evenmin had hij iets gemerkt van den strijd dien ze zelf had te voeren, een strijd tegen jalouzie en kleingeestigheid.
Als terloops had hij haar gevraagd of de werkkring haar beviel en altijd was haar antwoord bevredigend geweest, had ze verteld van de grootere kinderen, die zoo lief en aanhankelijk waren, van de zangspelletjes, die ze met hen deed en waarvan Titia zoo verrukt was en van het werken onder leiding van Zuster Blom, in de babyafdeeling.
„Zoo lief, Stefan, zoo hulpeloos, die kleine wezentjes,” had ze gezegd en Stefan, geheel vervuld van zijn eigen moeilijkheden had geloofd, dat Ruth’s leven in het Eibersnest een paradijs op aarde was.
Ruth’s trots, Ruth’s geslotenheid lieten niet toe iemand te vertellen van al wat ze te verduren had.
Want Lize van Meresteijn, ziende, hoe de kinderen al direct aan Ruth hingen en hoe handig en flink het meisje aanpakte, was daardoor van een koelheid tegen Ruth, die iedere toenadering uitsloot. Ze liet geen gelegenheid voorbij
9
Wisselend Getij