128
In de verte zagen ze een troepje menschen aankomen en een hond heen en weer rennen.
„Ik zie Chita en Maarten en... nog twee... wie zijn ’t? ik zie ’t al, Wim en Tom!” zei Pol.
„Wat komt die Tom den laatsten tijd vaak,” merkte Pim op. „Wat heeft dat te beteekenen?”
„Pim, ik ga maar eens opstappen,” zei Jan Bork, die zich onder al die vreemde menschen wat onbehagelijk begon te voelen.
„Welneen, waarom zou je weggaan? ’t Wordt reuze gezellig met zoo’n heele troep. Dat doet nog eens denken aan de goede tijden van weleer!” riep Pim onstuimig uit. „Ruff! Ruff! kom eens bij je tante!”
De hond, een mooie zwarte Poolhond, stoof naar het troepje toe, snuffelde even rond, kwispelde vroolijk tegen de schoonzussen van zijn baas, legde zich dan neer bij Jan Bork, de kop tegen zijn knie geleund.
„Dat is merkwaardig,” zei Pim. „Hij is direct goeie vrienden met jou. Dat doet ie anders niet gauw.”
„Hij ruikt z’n collega’s,” lachte Jan Bork z’n gullen lach.
„Bij mij thuis zijn meestal een stuk of zes blaffers, patiënten van vader, die,'als herstellende zieken bij ons verpleegd worden.”
De vier aan het strand, die het spoor van Ruff gevolgd hadden, kwamen nu naar hen toe.
Chita Weldam monsterde even „de vreemde knaap waar Pim den laatsten tijd nogal mee gezien werd.”
„Zoo, tuindertje,” begroette Maarten vroolijk Stefan. „Heb je nog den moed gehad hierheen te komen na zoo’n vermoeienden dag?”
„Ik begin al aardig te wennen aan het vroege opstaan,” zei Stefan, die, hoewel hij wat magerder was geworden, er toch goed uitzag.
„’t Valt niet mee, zoo’n aardbeien-campagne, vooral als je