127
„Hij is een vriend van den baas, hè?”
„Van Bakels?” vroeg Pim verwonderd.
„Ja. Wist je dat niet? door diens voorspraak ben je waarschijnlijk op kantoor gekomen.”
„Heeft Maarten me niets van verteld. Jakkes, nou wauwelt die isegrim natuurlijk alles over van m’n stommiteiten. Wat zal Chita genieten!”
Pim’s gezicht was een donderwolk.
„Op Bakels heb je toch een glad verkeerden kijk, Pim. Hij is stug, op een afstand, maar een vent . .
„Als een rots,” vulde Pim verveeld aan.
„In ieder geval,” zei Jan een beetje kort, „is Bakels niet de man om je zwager iets over te brieven, dat hij in z’n hart heelemaal zoo erg niet vindt. We hebben allemaal fouten gemaakt in het begin en jouw tikfouten en kleine slordigheden zijn niet half zoo erg als dei taalfouten, die anderen maken.
Pim klaarde op.
„Och, ’t zal wel wennen. Ik ben vandaag weer in een landerige bui en dan zie ik alles zoo wanhopig roeterig.”
„Zeg, daar loopen een paar menschen, die hierheen wuiven. Zijn ’t ook kennissen van je?”
Pim richtte zich uit haar liggende houding op.
„Ja, Pol met de Mendels en Pol heeft natuurlijk net zoolang gezocht tot ze ons vond. Hallo!” riep ze hen tegemoet. „Komen jullie hier zitten?”
„Wat een zalige avond,” zei Ruth, toen ze zich allen hadden neergevleid. „We hebben heelemaal tot het wrak gewandeld. Maar nu kan ik ook niet meer.”
„Wat zie je er grappig uit met die cape,” lachte Pim. „Zoo echt dè verpleegster.”
„Ik hoor Ruff blaffen!” riep Pol. „Dan is Maarten zeker in de buurt.”
„Pol kent alle blaffers van het dorp!” plaagde Pim.