126
„Ze is een beetje eigen, maar een reuze goed meisje.”
„Jij neemt natuurlijk alle menschen die je ontmoet scherper op dan een ander,” veronderstelde Jan.
„Hoe zoo?”
„Nou, als schrijfster.”
Spotte hij met haar of meende hij wat hij zei, dacht Pim, maar Jan keek haar zoo trouwhartig aan, dat ze niet behoefde te twijfelen aan den ernst van zijn vraag. Ze begon zich toch een beetje bezwaard te voelen en zijn vraag negeerend, zei ze plotseling:
„Je moet eens bij ons thuis komen, kennis maken met moeder en Pol en de anderen.”
Een glimlach vloog over z’n gelaat.
„Het „skarrelen” van Marijtje heeft indruk op haar gemaakt,” dacht hij. „Ze vindt onze strand-afspraakjes plotseling niet passend.”
„Graag,” zei hij dan. „En kom je ook eens bij ons? Mijn zussen zullen het bar interessant vinden om kennis te maken met een schrijfster.”
„Jakkes!” dacht Pim, „dat gehamer op mijn schrijverij! Had ik er ook maar niets van gezegd.”
„Hoeveel zussen heb je?” praatte ze er over heen.
„Het is bij ons gelijkelijk verdeeld. Drie meisjes en drie jongens, ’n Heele kazerne, hè?”
„Nou! wij zijn met vier,” en Pim vertélde van Pol, haar tweeling-zus, van Wim, die meestal erg onverschillig deed, maar toch wel eens uit z’n slof kon schieten — ze herdacht hierbij het zalige reisje in zijn two-seater — van Chita, waar ze eeuwig mee overhoop lag en van Maarten.
„O, als je dien leert kennen ..
„Ik ken hem wel. Ik heb verschillende interessante voordrachten over z’n Noordpool-expedities van hem gehoord, ’n Kei van ’n vent!”
„Ja, hè? en zoo gewoon.”