125
„Ik ben er zelf nog niet heelemaal tevreden over,” zei ze dan. „Daarom publiceer ik ook nog niet.”
„Verstandig,” prees hij. „Er wordt toch al veel te veel geschreven. Maar in ieder geval is het fijn, buiten je werk van allen dag iets te hebben, dat je volle liefde heeft. Dan hoef je je nooit leeg of alleen te voelen. Willen we even tegen den duinkant gaan zitten? ’t Is zoo’n ongelooflijk mooie zonsondergang.”
Ze zetten zich neer en zwegen beiden. Jan, omdat het machtig schouwspel van de in zee verzinkende zon hem sprakeloos maakte, Pim, omdat ze de jonge vrouw die ze in zee had laten glijden juist op een baar liet tillen, de blonde lokken omkransd met witte bloemen. Ze vroeg zich heelemaal niet af, waar die witte bloemen zóó gauw vandaan ge-tooverd moesten worden, dat zou tè nuchter zijn geweest. In het maanlicht werd de vrouw weggedragen, achter de baar weeklagend, de familie, die haar niet begrepen had.
Juist op dit moment stormden twee menschen lachend en joelend het duin af en plonsden vlak naast hen neer.
„Heerèl” riep een vroolijke meisjesstem. „D’r zit’ menschen! Nou, zeg, da’s ook bot merakel! ’t Is juffer Pim!”
„Zoo, Marijtje,” lachte Pim, die de gedienstige van haar getrouwde zuster herkende.
„Me aanstaande,” stelde Marijtje een als heer gekleeden boerenzoon voor.
„Hè je ook verkeering, juffer Pim?” vroeg Marijtje op het zangerig toontje, dat alle dorpsmeisjes eigen was.
„Ja, met den hond van Halderi!” zei Pim, heelemaal niet boos over de wat onbescheiden vraag.
„Nou, ik gaan nog ’n endje strand op.” Marijke trok haar Kloris mee.
„Laan’ die twee maar skarrele,” spotte ze.
„Leuk, frisch ding,” zei Jan, Marijtje nakijkend, zooals ze triomfantelijk aan den arm van haar jongen wegwandelde.