122
„Hallo!” Jan Bork sprong met een zwaai van z’n fiets. „Loop jij eenzaam aan het strand te mijmeren,” lachte hij. Pim, die het wel interessant vond om te doen of ze geheel in gepeins verdiept was, gaf geen antwoord.
Jan Bork, z’n fiets aan de hand, stevig naast haar door-
V
stappend, keek haar eens van terzijde aan. „Verduiveld knap meisje is ze toch,” dacht hij. „En altijd zoo aardig gekleed. Dood eenvoudig, maar toch . . .”
En Pim’s verhalen schoten hem te binnen van haar luxeleventje thuis.
„Toch beroerd voor zoo’n meisje, je kunt ’t beter nooit gehad hebben. En dan zoo’n overgang op dat kantoor, met