120
ders liet ik ’m ook tjoepen, want af ter all is ’t niets voor mij. Als ik denk aan het verschil met Tom of Stefan of de andere lui waar we mee omgingen . . .” Pim stond met een ruk uit haar stoel op en even ruikend aan een bos theerozen, die in een aarden pul stonden, zei ze onverschillig:
„Op dat kantoor houd ik ’t geen drie maanden uit. Ik ga net zoo lief naar Indië als . . .”
„Als wat?” vroeg haar moeder en ze keek haar guitig aan. „Wat neem je de dingen allemaal hoog, Pim! Probeer eens een middag thuis te komen met een opgewekt gezicht. En geef niet zoo gauw den moed op. Eer er drie maanden verloopen zijn, voel je je thuis op je kantoor en zie je de collega’s in een ander licht.”
Pim, beleedigd om het niet begrijpen van moeder en Pol, trok naar boven, naar de kamer, die ze met Pol deelde. Lusteloos ging ze voor de open balcondeuren zitten.
„Zij hebben gemakkelijk praten,” pruttelde ze in zichzelf. „Zitten genoegelijk den geheelen dag thuis of gaan wandelen als ze er zin in hebben en worden door niemand gecommandeerd. O, die akeligheid van een Bakels! Je kunt ’t dien vent niet naar den zin maken! Vanmorgen warempel drie keer een brief kunnen over tikken, omdat er een paar foutjes van niks in waren, ’n komma vergeten of zooiets! dat gezicht waarmee hij je zoo’n brief terug geeft!”
Pim, met betraande oogen tuurde naar buiten.
„Die eeuwige duinen met al die mekkerende geiten er in! gewoon om dol te worden! en iedereen vergeet je, niemand verschijnt er van de oude vrienden, terwijl ze toch moeten voelen, dat ik ze juist nu zoo noodig heb. O, hoe kom ik van dat vreeselijke kantoor af? Het doodt alles in me, ik.kan niet meer schrijven. Ik voel me dood ongelukkig! En niemand, die me begrijpt. Ja, misschien één, Jan Bork! Ik zou nooit een man willen hebben die Jan heet en dan nog Bork er bij! Een nietszeggende naam. Mevrouw Pim Bork—Wel-