119
lederen morgen ging Pim landerig met de bus naar Haast-wijk en iederen middag kwam ze mopperig en zenuwachtig weer thuis.
„Ik houd het niet uit!” klaagde ze ook nu weer, toen ze bij moeder en Pol het kopje thee dronk, dat ze voor haar warm gehouden hadden, „’t Is er zoo’n inburgerlijke zooi. ’t Werk staat me wel aan, maar het gehalte van m’n collega’s niet.”
„’t Zal wel wennen, kind,” troostte haar moeder.
„Je doet toch niet hooghartig, Pimmeke?” vroeg Pol, die zich best kon voorstellen, hoe Pim daar een beetje de aristocratische speelde.
„Heelemaal niet. Ik kan alleen niet met ze meedoen als ze onder koffiedrink-tijd zitten te gichelen om onbeduidende voorvalletjes en elkaar verhalen doen van: „en me moe zegt ook” of „O, meid, heb je gezien hoe ie naar me keek?” en dan zijn er bij, die smakken als ze eten en bokkum op haar brood hebben. Ik kan m’n boterhammen gewoon niet naar binnen krijgen.”
„Is er nu geen enkel meisje waar je wat prettiger mee kunt omgaan?” vroeg haar moeder.
„Wel een jongen,” zei Pim. „Een van de boekhouding, die gelukkig wat boven de rest uitkomt. Hij leest goeie boeken en ziet er wel aardig uit. Moet u die vinnige gezichten van de andere meisjes zien als we samen zitten te boomen.”
„Is dat die jongen waar je Zondagmiddag mee aan het strand liep?” vroeg Pol.
„Ja, zag je hem? Leuk ziet ie er uit, niet? ’n tikje burgerlijk, maar voor een jog uit zoo’n klein nest toch wel te verdragen.”
„Pim, doe niet zoo onuitstaanbaar,” stoof Pol op. „Als je zoo op kantoor doet, dan kan ik me voorstellen, dat ze spinnig kijken.”
„Hij is nog m’n eenige afleiding in dien muffen boel, an