113
Ruth en Pol keken elkaar even lachend aan, ze hadden Pim door.
„Komen we langs het huis waar jullie gaan wonen?” vroeg Ruth.
„Neen, dat ligt midden in de duinen, maar meer naar zee toe. ’t Is eigenlijk veel aardiger als je het ziet wanneer het geheel klaar is,” zei Pol.
„’t Zal ’s winters afschuwelijk zijn,” klaagde Pim. „Gewoon om je dood te kniezen.”
„Als je zoet bent, mag je in de Rederijkerskamer...” lachte Chita. „Kun je je talenten als tooneelspeelster bot vieren. Marijtje zal je wel introduceeren, die is zoo’n beetje de eerste kracht van het gezelschap.”
„Marijtje is een eenig kind!” zei Pol. „Eén stuk natuur. Heeft ze nog geen Kloris?”
„Reken maar,” imiteerde Chita haar dienstmaagd. „Puur een stadsheer.”
„Wie is het?” vroeg Pim geïnteresseerd.
„’n Broer van Sijmpie. Hij is mecanicien en dat woord vindt Marijtje zóó mooi, dat ze hem geloof ik, daarom puur een stadsheer noemt.”
Ruth schaterde het uit.
„Wat zit er een humor in de buitenmenschen,” zei ze. „Als je dit aanvoelt geloof ik niet, dat je je ooit zult vervelen of eenzaam voelen op een kleine plaats.”
„Wacht maar tot je er een jaar zit, dan zul je wel anders piepen,” voorspelde Pim.
„We zijn er,” zei Chita, toen de bus, waarin ze de eenige passagiers waren, stopte.
„Hier liepen eenmaal een donkeroogig meideke en een blonde jongeling,” declameerde Pim.
„Vergeet de mand met bloemen niet te bezingen, die ze mee torschten,” herinnerde Pol haar.
Wisselend Getij 8