111
sten tijd gelaten te dragen. U zult met Lize van Meeresteijn het meest te kampen hebben. Ik beloof u, dat ik niet na zal laten in te grijpen wanneer het noodig blijkt te zijn. Ik hoop zoo van harte, dat het niet behoeft. Met een beetje goeden wil van beide kanten, kunnen er onaangenaamheden vermeden worden.”
„Ik zal mijn uiterste best doen ze te vermijden,” beloofde Ruth en ze dacht, dat er al heel wat zou moeten gebeuren, eer ze zich bij Titia zou gaan beklagen.
„Lize van Meeresteijn is een beklagenswaardig meisje,” ging Titia voort. „Ze heeft op zeer jongen leeftijd haar vader verloren en haar moeder, die toen nog een betrekkelijk jonge vrouw was, is hertrouwd met een man, die nooit van het kleine meisje uit het eerste huwelijk gehouden heeft en jaloersch was als zijn vrouw zich aan het kind wijdde. Toen er naderhand kinderen uit dit huwelijk geboren werden, begon Lize’s misère pas goed. De moeder, die te zwak was, om tegen de ziekelijke jalouzie van haar tweeden man in te gaan, wist niet beter te doen, dan Lize naar een kostschool te sturen. In de vacantie’s wanneer het kind thuis kwam, voelde ze pas goed hoe ze als een vreemde in het huis van haar moeder stond en deze vervreemding heeft haar gemaakt tot de eenzame ziel, die ze nu is. Gelukkig heeft ze een groote liefde voor kinderen en dit helpt haar wel een boel, maar toch niet zóó, dat ze er haar verbittering door vergeet. Ik heb ziels medelijden met haar en help haar zooveel ik kan. Daardoor klampt ze zich aan me vast en moet ik voorzichtig zijn, dat ze... geen misbruik maakt van mijn medelijden. Ik hoop, dat u me begrijpt, juffrouw Ruth.” „Volkomen,” stelde het meisje haar gerust. „Ik zal het gemakkelijker kunnen dragen nu ik dit alles weet.”
„Probeer haar sympathie te winnen. Ze is zoo gevoelig voor wat warmte, maar het duurt lang voor de ijskorst, die zich om haar hart gelegd heeft, ontdooid is. Zoo, en nu