r
110
Ruth, die met zooveel belangstelling naar het troepje gekeken had, zei ze zacht:
„’t Is zoo jammer, dat ze er niet allemaal aan mee kunnen doen.”
„Wat een moederlijke liefde in die zachte oogen,” dacht Ruth. „Het zijn allemaal haar kinderen.”
„Nu neem ik u even mee, om u uw kamertje te laten zien en dan gun ik u vandaag nog aan „de veulens”, zei Titia en ze voerde Ruth mee naar boven, waar ze haar het aan den voorkant van het huis gelegen kamertje liet zien, dat er uitzag vond Ruth, als de logeerkamer van een Engelsch landhuis.
„Hoe in-gezellig,” zei ze dankbaar. „Wat is het lief van u me zoo’n genoegelijke kamer te geven.”
„Laat ons even hier gaan zitten,” Titia schoof een van de twee met licht cretonne bekleede stoeltjes naar haar toe en nam dan plaats in het andere.
„Voor u uw werkkring hier begint, juffrouw Ruth, wil ik u iets zeggen, dat me op het hart ligt.” Ze wachtte even alsof het haar moeilijk viel er over te beginnen en Ruth’s hart klopte onstuimig. „U heeft uw oogen genoeg open,” zei ze dan langzaam, „om gezien te hebben, dat uw komst hier niet geheel met onverdeelde vreugde begroet wordt. Ik heb dit geweten en het heeft me er niet van terug gehouden u te laten komen. Alleen wilde ik u vragen, u niet te laten ontmoedigen, als soms ...”
„Ik begrijp het,” zei Ruth, die voelde hoe bang Titia was haar te kwetsen.
„Neen, neen! ’t Is heusch niet in hoofdzaak wat u denkt, ’t Is meer nog het vooroordeel van het in dienst nemen van buitenlandsche krachten.”
„Het andere komt erbij en verergert de zaak,” Ruth glimlachte fijntjes.
„Zoo is het. Nu is mijn verzoek aan u, dit vooral den eer