107
lakt. De wanden van het vertrek waren beschilderd met sprookjes voorstellingen. „Licht en blij,” zei Ruth. „Wat zullen de kleintjes zich hier gelukkig voelen.”
En haar oogen gingen naar de kasten vol speelgoed en prentenboeken.
„Hier gaan de grooteren s’ middags rusten als ze moe gespeeld zijn,” en Titia voerde hen in een aangrenzende zaal, waar naast elkaar in lange rijen eenvoudige britsjes stonden.
Achtereenvolgens zagen ze nu de slaapzalen voor de grooteren, de enorme keuken met pannen als voor een regiment soldaten, de kleinere keuken waar uitsluitend alles voor de baby’s gereed werd gemaakt en dan gingen ze naar buiten, waar ze alle kinderen vonden, grooten en kleinen, die onder toezicht van vier helpsters vroolijk speelden.
De kleintjes zaten in de zandbakken, maar de grooteren holden elkaar na, duin op duin af en hier en daar zat er een in een beschut duinpannetje plaatjes te kijken of matjes te vlechten.
„Werkelijk ideaal,” vond Ruth. „Wat moet het u een groote voldoening geven.”
„Dat doet het dan ook,” zei Titia en ze streelde moederlijk het blonde bolletje van een klein meiske, dat kromme beentjes had en er têer uitzag.
Alle kinderen vlogen naar haar toe en het was een vechten om één van Titia’s armen te bemachtigen.
„Directrice! directrice!” klonk het van alle kanten en ze werd meegetroond om deel te nemen aan hun spelletjes.
„Dit is nu de nieuwe juffrouw, kinderen,” zei Titia.
„Hoe heet ze, dikkeretrice?” vroeg een klein bijdehandje, met oogjes als zwarte kralen.
„Juffrouw Ruth,” vertelde Titia, want buiten zuster Me-rens, werden alle helpsters bij hun voornamen genoemd.
„Juffwouw Wuth,” zei een klein joggie met een mank beentje, dat de letter r niet uit kon spreken.