160
„Welja, dat kunnen we best hebben. We kunnen alleen niet velen, dat jullie vrouwen direct ingepakt zijn door een paar brutale ogen.”
„Dat zijn we niet. We vinden dien Fritzl’ een leuk jog en hij danst goed, maar verder nemen we ’m voor wat ie is: een gewone boerenjongen met een vernis-je beschaving. We amuseren ons met z’n eeuwige honger en z’n listige manier om wat los te krijgen van de mensen, verder niets. Maar jullie knoopt er direct weer dingen aan vast, die niet bestaan, ’t Is juist zo heerlijk rustig, dat we geen van allen een flirtation hebben en alleen maar genieten van deze zalige dagen.”
„Nou,” zei Henk, olijk naar T. en T. kijkend. „Dit stel....?”
„O, dat is geen flirtation, dat loopt op een oerdegelijke verloving uit, daar kan je zeker van zijn. Ik ben blij voor Toet.”
„En ik benijd Tom.”
„Waarom eigenlijk? Als je verloofd bent is ’t uit met je heerlijke vrijheid, dan ben je zo echf gebonden aan elkaar.”
„Nu, daar zou mijn aanstaande vrouw geen last van hebben. Die zou ’t grootste deel van de tijd haar „heerlijke vrijheid” hebben.”
„Ja, da’s waar. Nou misschien voelt Til er wat voor.”
„Bea, doe niet zo ongelofelijk flauw. Je weet heel best, dat er niets anders dan een echte kameraadschap tussen Til en mij is.”
„Wat fleuren die Til en Els hier enig op, hè? Moet je ze zien stoeien met Tom! net drie jonge honden, ’t Is toch net zoals Jet ’t voorspeld heeft: de berglucht maakt een ander mens van ze.”
„Ja,” zei Henk onverschillig, terwijl z’n kaakspieren heftig bewogen. „Wat praat ze er weer netjes over heen,” dacht hij. „Nou maar niets verder zeg