150
„Zalig!” klonk het als uit één mond.
„Leuk, hé? Al die groetende mensen. Dat is altijd een hele emotie als er nieuwe gasten komen. Over een paar dagen staan wij hier net zo, één en al nieuwsgierigheid naar de nieuwe „nummers” die de sleedjes mee naar boven brengen.”
Jet werd aangesproken door den Wirt, eigenaar van het hotelletje, een gemoedelijken Tiroler, die er enigszins eigenaardig uitzag. Hij droeg een costuum, dat een combinatie was van een soldatenuniform en een sportpak, van groen-grijs laken en waarvan de broek verdween in een paar leren beenkappen. Op z’n tamelijk rood hoofd droeg hij een Tiroler hoedje met een soort scheerkwast erop. Het leek altijd of het hoedje te klein was voor het brede hoofd.
Zwaar, groot, wijdbeens, de handen in de zij, zo stond hij meestal voor z’n gasten. De hoofdschotel van zijn gesprekken vormde „Der Krieg”, die hij als Hauptmann mee had gemaakt en die zo’n onuitwisbare indruk op hem had gemaakt, dat daarbij alles in het niet verzonk.
„Hoe de kat valt, valt ie op z’n pootjes,” zeiden de gasten tegen elkaar, wanneer de Wirt, als een tweede Baron von Münchhausen vertelde van zijn heldendaden tijdens de oorlog.
„Hij liegt de helft,” werd er dan vrolijk gezegd, maar niemand maakte zich er kwaad om, want de ex-Hauptmann was de gemoedelijkheid in persoon en altijd klaar zijn gasten van dienst te zijn.
Achter hem aan sjouwde steeds zijn hond, een goedige herder, die in zoverre in zijn glorieuse oorlogsverhalen deelde, dat hij steeds als getuige werd opgeroepen, en de Wirt, hem over de oren strelend vroeg: „nicht wahr, Russi,’ war es nicht so?” waarop de brave Russi instemmend met de goedige ogen knipperde.