220
Er ging veel van de film verloren voor allebei, want Reindert keek meer naar haar, dan naar wat er op het witte doek voorviel en Bea, die zijn blikken voelde, werd er min of meer door afgeleid en keek telkens zijdelings naar hem op.
Terwijl ze daar zaten en zich iets ontspon, dat ze voelden aankomen en waarvoor ze toch vreesden, rinkelde in pension Molenaar op onbarmhartige wijze de telefoon.
„Ik begrijp er geen cent van,” zei mevrouw van Vliet een beetje verstoord tegen haar nicht. „Er moet toch iemand thuis zijn, die Reindert mijn boodschap kan overbrengen.”
Waarop nicht vroeg of er dan zó’n haast 'bij was.
„Ja,” zei mevrouw een beetje kort.
Weer rinkelde de telefoon, maar niemand antwoordde.
„Ik begrijp er geen cent van,” zuchtte mevrouw ten tweede male. Ha!” kreet ze, toen eindelijk de stem van Geert aan de andere kant van de draad klonk.
„De dames zijn uit,” annonceerde Geert.
„Dat kan niet,” stelde mevrouw vast. „Juffrouw Bea moet thuis zijn.”
„Vast niet,” hield Geert vol. „Maar ik zal nog even op de slaapkamer gaan kijken.”
„Als ze daar óók niet is, ga dan even op de kamer bij mijn zoon en vraag of hij de brief wil posten, die op mijn bureau ligt. Ik wacht dan even.”
Maar Geert kwam al gauw met de tijding, dat meneer er ook al niet was.
„Hoe laat kwam jij thuis?” ondervroeg mevrouw.
„Effetjes geleden. Juffrouw Bea hep gezegd, dat ik wel weg kon gaan, er kon toch niks komme en zij bleef thuis.”
„Gekke boel,” pruttelde mevrouw en ze hing de telefoon aan de haak.
„Alsjeblieft,” dacht Geert, zwaar beledigd, „niet eens, dag hond! ze hep ’t maar weer es op d’r heupe! lang niet gebeurd!” Geert hing eveneens de telefoon op en besloot lekker vroeg naar d’r bed te gaan, want juffrouw Jet had