214
eerst de pen op je gok zet en je de stuipen hebt om een woord te veel te zeggen.”
„Heb je je daar ook zo keurig uitgedrukt?” lachte Bea. „Nou en... och, stik jullie met je op- en aanmerkingen! nou... meneer zei — en ik had ’m wel om z’n hals willen vallen — „neemt u die twee manuscripten nu maar eens mee naar huis en leest u ze door. Het ene is een kinderverhaal, in het andere zult u korte verhaaltjes en versjes vinden. Ontwerpt u nu voor het ene — dat van het grote verhaal — een bandtekening, losjes in schets gezet en maakt u voor het andere enige binnen-illustraties. Ik kan u niet de verzekering geven, dat ik uw werk zal aannemen, maar naar wat ik van u gezien heb, zou ik denken, dat u wel kans hebt. Niet overhaasten, maar kalm werken en niet te gauw tevreden zijn met uw werk, want er mankeert hier en daar nog wel wat aan.” Nou, je begrijpt! het was meer dan ik verwachtte, al gaf hij dan ook niet de minste zekerheid. En mevrouw was ook erg vriendelijk, helemaal geen kwaje schoonmima! hoe vinden jullie het? Bé, engel, kom hier, ik moet je even knuffelen.”
„Ze spraken zeker helemaal niet over Eddy?” vroeg Bea. „Kan je denken! ze wilden natuurlijk eerst eens zien wat voor een kind ik ben en hoe ik werk. Nou, dat kan me ook geen lor schelen. Ik zal wel maken, dat ze een betere kijk op me krijgen en me niet blijven beschouwen als dat nare kind, dat hun jongen van zijn werk hield.”
„Dat is taal naar onze harten,” prees Jet.
„Als ik maar werk krijg, valt de tijd niet zo lang en mis ik Ed niet zo vreselijk. Ik ga werken als... ja, weet ik ’t, als een koelie! de eerste weken zullen jullie geen last van me hebben!”
„Wat een zegen, Bé! je hebt ons allemaal een weldaad bewezen!” lachte Jet.
„Nou, dierbaren, ik zal jullie niet langer ophouden. Boen