213
ze Bea, die, getroffen door Jet’s woorden, er onbarmhartig op los schuierde met een te harde borstel.
Bea vond beter Jet nu maar niet te spreken over wat haar een slapeloze nacht had bezorgd.
„Heb jij vanmorgen Els nog opgebeld om haar het heugelijk nieuws te vertellen?” vroeg Jet.
„Nou en of! ik hing warempel al om kwart over achten aan de telefoon en Els is er nu waarschijnlijk al heen. Ik heb haar goed op het hart gedrukt niet opstandig te worden als meneer van Stralen in zijn kwaliteit van „Pa” haar misschien iets zegt, dat haar minder aangenaam is. En ook, dat ze nu niet moet verwachten, dat haar werk direct aangenomen zal worden. Je weet, hoe Els is: direct in de wolken, maar even gauw weer in de put! ”
Een uur later — Jet en Bea waren net aan het voorzichtig afwassen van mevrouw van Vliet’s Sêvre beeldjes — hoorden ze buiten een bekende kreet, gevolgd door heftig fietsbel-gerinkel.
„Ze heeft vast wat goeds te vermelden,” lachte Jet.
Els kwam al naar binnen gerend.
„Neen, neen,” wenkte bedarend haar hand. „Ik zal jullie niet ophouden, ik weet al van Geert, dat je het druk hebt, maar ik moest het toch even komen vertellen. Hij was reuze, zeg! en mevrouw was ook op het kantoor. O, zeg, ik zat in de rats!, en ik héb in het begin geloof ik erg dwaas gedaan. Ze keken eerst m’n werk door — ik had alles en nog wat mee gesleept, konden ze zien, dat Els geen luilak is — nou, en toen zei meneer: „dat is niet onaardig, vind je wel, vrouw? — zou ie er haar altijd bijhalen? heeft Ed me nooit wat van verteld.”
„Dè speurhond,” plaagde Bea.
„Nou, en toen...”
„Houd op met je nou en toen’s,” zei Jet.
„Och, schaap, weet ik veel wat ik zeg, ik ben nog helemaal dada van alles. Ik geef het jou te doen, als Bea je