211
De volgende dag —de beide meisjes waren om het hardst aan het wrijven van mevrouw van Vliet’s mooie mahonie stoelen, — zei Jet, nog eens na genietend: „Wat een fijne avond was het toch. Ik heb zó genoten van het orkest. Als je zo weinig naar concerten gaat, wat is het dan een weldaad weer eens goede muziek te horen. Als ik spietjes had, nam ik een abonnement voor zo’n serie van twaalf concerten.”
„Nou, dat is te doen,” vond Bea. „Als dèt er nu niet van af kan voor ons ploeteren!”
„Van dit jaar zeker niet,” zei solide Jet. „Jij vergeet, dat we straks belasting te betalen krijgen en we in het voorjaar enige dingen moeten kopen, die we vooruit niet konden overzien en die toch hoog nodig zijn.”
„Hè, dat eeuwig moeten rekenen! op zo’n manier komen we er eigenlijk nooit uit en kunnen we nergens van profiteren.” „Zeg, we zitten er nog geen jaar, we mogen de hemel danken, dat het zo is gegaan. Van overhouden kan nog geen sprake zijn. Maar dat komt ook nog, daar kun je zeker van zijn.”
„Ik ben altijd veel te haastig in alle dingen,” bekende Bea. „Ik wil te gauw resultaten zien.”
„Gaat het je vervelen, Béetje? dan eerlijk zeggen, hoor!” „Hoegenaamd niet. ’t Was alleen even een zuur idee, dat we zo helemaal niet kunnen profiteren van iets werkelijks moois.”
„Kijk om je heen,” lachte Jet. „Zijn al die antieke meubels waar we onze beste krachten aan geven niet mooi om naar te zien?”
„Ja, dat is waar, ze zijn prachtig. Dat oude kastje daar ben ik gewoon verliefd op. Mevrouw heeft me eens verteld, dat het van haar man’s grootvader was en Reindert het krijgt als hij een eigen huishouden gaat stichten. Mooi gezegd, hè, dat stichten. Als jij dus met Reindert gaat schuiven ...”
14*