208
ze zei uitdrukkelijk, dat ze geen spelbreékster wilde zijn en in een taxi naar huis ging, dan konden de jongelui nog wat blijven.
Maar Jet en Bea, dankbaar voor het genotene, wilden hiervan niet horen en zeiden, dat ze met haar mee gingen.
„Dat was een in-gezellig avondje,” zei Jet vergenoegd toen de beide meisjes op hun slaapkamer nog even na babbelden. „Is het niet geweldig, dat we door diezelfde mevrouw van Vliet, die ons eerst om de maan niet genegen was, nog zulke gezellige dingen beleven? we zijn wat je noemt een paar boffers.”
„Ja,” zei Bea wat afwezig.
„Wat is er?” vroeg Jet, toen ze Bea’s wat lauw antwoord kreeg.
„Ik weet zelf niet,” ontweek Bea de vraag.
„Heb je iets, dat je hindert, Béetje?”
„Neen, alleen een onbestemd voorgevoel van iets waar ik tegen opzie en zou willen ontlopen.”
„Ik weet waar je heen wil,” lachte Jet stil in zichzelf. „Maar je hoeft met te denken, dat ik je help, meisje.” En Jet stapte resoluut in bed.
„Slaap ze,” zei ze dan.
„Ook genacht,” knikte Bea van uit het andere bed. Maar toen Jet al lang sliep, lag Bea nog wakker en piekerde.
Ze dacht terug aan het moment, waarop Reindert tegen haar gezegd had:
„Daar zal ik je naderhand wel eens op antwoorden,” naar aanleiding van haar schertsende vraag, waarom hij Rienstra voor Jet bestemde. Er was iets in zijn ogen geweest, dat ze er nooit nog in gezien had, het was de manier waarop Tom naar Toet keek en die haar altijd zo getroffen had. „Ik heb wel eens gedacht, dat hij meer voor me voelt, dan alleen maar dankbaarheid voor de zorg aan zijn moeder besteed, maar nooit is het me zo opgevallen als vanavond. Ben ik er blij mee? Waarom zie ik er dan zo vreselijk tegen op, dat hij