206
was bezig Reindert te plagen en ze zagen het vonken in zijn ondeugende ogen.
„Daar komt ze,” annonceerde Rienstra. „U kunt gerust zijn, meneer Mertens.”
Bea, die er opgewekt uitzag, zette zich neer bij de anderen.
„Heb je een binnenpretje?” informeerde Tom.
„En öf!” lachte Bea. „Ik heb een overwinning behaald. Weet je, wie die oude heer is, waarmee ik zat te praten?” wendde ze zich tot Jet. „Dat was nou meneer van Stralen.”
„Die naam zegt me geen lor,” zei Jet.
„De boze a.s. schoonvader van Els,” lichtte Bea toe.
„Ah! ik zie!” lachte Jet. „Hoe had je hem zo gauw in de gaten? kende je hem?”
„Hij is de oom van Mien Kerbert, die enige jaren terug op de toneelschool was. Bij haar heb ik het echtpaar van Stralen eens ontmoet. Daar heb ik nu, ten behoeve van die verliefde Elsevier een goed gebruik van gemaakt.”
„Heb je in alle toonaarden haar lof bezongen?” vroeg Jet geamuseerd.
„Ik heb het keurig aangelegd. Ik heb eerst even met Mien en haar man zitten praten en toen, als terloops, aan uitgever van Stralen gevraagd of hij niet eens het werk wilde zien van een zeer talentvol kennisje van me. Vóór ik haar naam noemde, heb ik haar opgekuifd, allemaal zo dood onschuldig, alsof ik nergens van wist. Pas toen hij vroeg wie de jonge dame in kwestie was, heb ik Elsevier’s naam genoemd.”
,)Stoof ie op?”
„Helemaal niet, hij grijnsde aanminnig en zei, dat ze maar eens bij hem moest komen. Als haar werk goed is, heeft hij misschien wel een paar kinderboekjes voor haar te illustreren.”
„Wat zal Els gnuiven! je bent toch een lieverd om er zo direct aan te denken,” zei Jet hartelijk.